
Het Compton Theaterorgel heeft natuurlijk een rijke geschiedenis wat zo'n
prachtorgel natuurlijk ook verdient.
Van 2 december 1983 tot en met 3 december 2003 speelde het Compton 3/11
theaterorgel in de Concert- en Gehoorzaal te Middelburg. Het is misschien
interessant om eens stil te staan bij een stukje geschiedenis van dit
instrument.
| Even korte cijfers: 1935 – 1961 De Majestic Cinema in Rochester; 1961 – 1981 Roman Catholic Church in Orpington-Kent 1981 – 2005 Concert- en Gehoorzaal te Middelburg 2005 - tot ver in de toekomst ;-) Draaiorgelmuseum te Haarlem. We gaan dan terug naar 1935 toen het orgel gebouwd is. |
![]() |
![]()
De vraag naar theaterorgels in het begin van de vorige eeuw resulteerde in de
fabricage van deze orgels in verschillende delen van de wereld.
Het pijpwerk was, onverschillig welk fabricaat, allemaal van gelijkwaardige
constructie en karakter.
Gebaseerd op de romantische stijl van de klassieke
orgels rond 1900.
De elektrisch aangedreven windvoorziening was technisch gezien in een ver
ontwikkeld stadium in de tijd, dat dit type “unit”orgel – ook wel
“extention”orgel genoemd – geaccepteerd werd als het meest geschikte orgel voor
theaters.
De elektromagneetjes, nodig om de windvoorziening voor de pijpen in de windladen
te sturen, hadden het predikat “betrouwbaar” gekregen.
Afgezien van dergelijke elektro-pneumatische akties voor de pijpen en
percussies, werden dergelijke mechanismen ook gebruikt voor het zogenaamde
multi-kontakt relais. Het relais, met als funktie het centrale schakelsysteem
tussen de speeltafel en het pijpwerk, is te vergelijken met de funktie van de
telefooncentrale als centrale schakel tussen abonnees in een telefoongesprek.
Orgelbouwers baseerden de relais op het systeem als ontwikkeld door Würlitzer,
naar de ideeën van de Engelsman Robert Hope Jones. Dit systeem had echter zeer
veel ruimte en windtoevoer nodig en was dus zeer kostbaar.
John Compton startte als enige orgelbouwer experimenten met een systeem, dat
directe elektro-magneetjes toepaste en de dure windvoorziening met haar
pneumatische akties overbodig maakte.
![]() |
Het “direct-electric” relais van Compton was zo compact, dat het in een smalle
kast tegen een muur gezet kon worden.
Als extra voordeel bracht dit systeem met
zich mee, dat de controle en het justeren van kontakten kon geschieden terwijl
het orgel geheel funktioneerde.
|
Nog heden ten dage wordt zijn voorbeeld – zelfs in kerkorgels – nagevolgd. De
ervaring leert dat deze toepassingen in relais en speeltafel – mits correct
afgeregeld – weinig te wensen over laten en het pijpwerk even snel aanspreken
als de elektro-pneumatische systemen.
John Compton was omringt door een zeer inventief team. De gewaardeerde organist
James I. Taylor was zijn mede-direkteur. Er was geen sprake van het imiteren van
het werk van Hope Jones.
In 1918 installeerde John Compton zijn eerste magistraal orgel. Het in 1923
geïnstalleerde 4 manuaals orgel met 17 rijen pijpwerk (4/17) in het Pavillon
Theatre in Shepers Bush London, werd algemeen als een grote triomf voor John
Compton beschouwd. Immers dit orgel had alle “direct-electric” toepassingen in
de speeltafel en in het relais.
In 1939 had Compton reeds meer dan 500 kerk- en theaterorgels gebouwd. Helaas
moet toegegeven worden, dat Compton veel kleine orgels bouwde met een minder
fraaie geluidskwaliteit. De klant verlangde echter, dat een maximale sound door
zo weinig mogelijk pijpen werd geproduceerd. Maar hierin lag immers de grote
kracht van Compton, namelijk het zeer ver doorvoeren van het “Unit” of
“Extention” principe.
Hierdoor is een Compton orgel – vergeleken met bijvoorbeeld een Würlitzer orgel
vamn gelijke grootte – beduidend groter in het aantal registraties en
“Orchestral” sound.
De grote productie en het kosten-aspekt deden Compton besluiten ook de
Tibia-pijpen van metaal te laten maken en houten pijpwerk slechts op bestelling
te leveren tegen meerprijs. Een goed afgestelde tremulant verbonden met een
metalen Tibia doet de geluidskwaliteit van de traditionele houten Tibia zeer
dicht benaderen.
Ofschoon het Compton pijpwerk door enige specialisten werd vervaardigd (de
Reedspijpen bijvoorbeeld door Norman, Beard and Hill, de Flutes door Rushworth
and Draper of Booth) was de rest van het theaterorgel geheel eigen fabricaat.
Zelfs de plastic registerwippers werden door Compton zelf gegoten.
Grotere pijpen werden geplaatst op een gepatendeerde zitting, die een variabele
windvoorziening realiseerde. Te vergelijken met de iris van een camera. Zulke
kleinigheden waren typisch voor Compton’s ingenieus vakmanschap. Al of niet
toegegeven door andere orgelbouwers; Compton was de leider in de orgelprofessie.
Laat in de zestiger jaren had de firma financiële problemen, die resulteerden in
de overname in gedeelten van Compton door andere firma’s.
Compton dient slechts beoordeeld te worden naar de technische superioriteit in
het verleden. Dit wordt het best geïllustreerd door het commentaar van een
vooraanstaand orgelbouwer uit Amerika die (slechts de traditionele
relais-systemen uit zijn eigen land kennend) van een groot Compton-orgel het
settermechanisme en het relais bestudeerde. Hij schudde langzaam zijn hoofd en
zei: “Het is niet te geloven!”
Het grootste en kwalitatief in alle opzichten beste “dual-purpose” orgel van
Groot-Brittannië is het orgel in de Guildhall in Southampton. Dit orgel met zijn
meer dan 4000 pijpen in 50 stemmen, werd gebouwd in 1937. Het orgel heeft twee
speeltafels. Eén speeltafel voor het theaterorgel gedeelte en een 4 manuaals
“klassieke” speeltafel, geheel in de kerkorgeltraditie. Het orgel wordt nog
regelmatig bespeeld. Ook dit was een Compton orgel.

Het was een uniek feit, dat de Concert- en Gehoorzaal te Middelburg de eerste
concertzaal buiten Engeland was, die beschikte over een “Unit” concertorgel. En
nog unieker was het feit, dat het tevens het grootste Compton orgel buiten de
grenzen van Groot-Brittanië was.
| Onder bouwnummer A 276, tegen de toenmaals zeer hoge kostprijs van ₤ 6000
verliet het orgel in 1935 de toenmalige John Compton Organ Works te Londen. De
bestemming was het Majestic Theatre in Rochester – Kent. Dit theater werd privé gebouwd door de gebroeders David en Harry Weston, die tevens eigenaar waren van het Palace Theatre in Chatham en het Ebassy Theatre in Chadwell Heath. De Majestic had een voor toen zeer modern decor en 2200 toeschouwers vonden er een ruime plaats in. Het was de grote trots van de gebroeders Weston en slechts het beste was goed genoeg voor dit filmpaleis. Dat gold ook voor het orgel. Deze Compton werd een “One-off’ model, ontworpen door James Taylor. Het kostte daarom ook aanmerkelijk meer dan de gemiddelde orgels. |
![]() |
![]() |
![]() |
|
| De speeltafel was voorzien van glazen wangen, waarin lampen van verschillende kleuren konden branden. Deze lampen werden door de organist op de speeltafel bediend. | Zo vormde het orgel een geheel met het decor van het theater. (De registerwippers voor de lampen zijn nu nog op de speeltafel aanwezig.) |
In 1935 werd het orgel geopend door Cecil Atkinson. Na 6 maanden werd hij
opgevolgd door Jack Hartland. Weer na 1 jaar werd hij opgevolgd door Clarence
Barber.
Begin 1937 werd de briljante Lew Harris de vaste bespeler als
“Resident-Organist” op wat door hem beschreven werd als zijn lievelingsorgel.
George Blackmore, student aan het King School College in Rochester, raakte zeer
bevriend met Lew Harris en ontving van hem – naast zijn klassieke orgelopleiding
– een zeer intensive training op het Compton theaterorgel. Het is dan ook niet
vreemd, dat George Lew tijdens diens ziekte geheel onverwachts 10 dagen moest
vervangen.
Midden in een semester verliet George Blackmore de muziekschool om op 27 mei
1939 de vaste organist in het Majestic Theater te worden. Vanaf mei 1941 tot
februari 1944 werden vanuit de Majestic 19 BBC radio-uitzendingen verzorgd door
George op het Compton orgel.
Toen George bij de R.A.F. ging dienen was dit tevens
het einde van een periode waarin het orgel door een resident-organist werd
bespeeld.
In 1945 werd het theater overgenomen door Gaumont-British. De naam van het
theater veranderde in Gaumont-Rochester.
Tot 1950 werd het orgel tijdens
gastoptredens bespeeld door o.a. Bobby Pagan, Louis Mordish en Terence Casey.
In de vijftiger jaren werd het orgel nog maar zelden bespeeld.
In 1960 gaf George Blackmore het laatste concert op het Compton orgel in het
theater.Bij die gelegenheid werd het stof uit de pijpen geblazen, maar het orgel
speelde nog perfect. George herinnert zich dat nog heel goed.
Begin 1961 verhuisde het orgel naar de Roman Catholic Church of the Holy
Innocents Presbyterian in het nabij gelegen Orpington - Kent. Voor het gebruik
in de kerk waren effecten, percussies, enz. niet nodig. Deze zijn toen ook
verdwenen. De oorspronkelijke Tibia Minor, Trompet en Clarinet werden toen
vervangen voor een lagedruk Hobo, Clarinet en Dulciana.
Tot 1981 heeft het orgel de kerk gediend.
In augustus 1981 demonteerde de Zeeuwse Theater Orgel Stichting (opgericht 7
augustus 1979) het orgel in de kerk. Juist voordat de slopershamer het trotse
convent van de kerk-klooster-school in Orpington zou treffen.
De demontage van het orgel in de kerk van Orpington is een apart verhaal. Met
behulp van Engelse Orgelvrienden, 6 jongens (schoolverlaters) en uit op een
zakcentje en wijlen Stephan Lokkerbol – die zich belastte met het beladen van de
12 meter lange container – werd het orgel in slechts 3 dagen gedemonteerd.
De speeltafel, de blower met motor en dynamo en het relais werden met behulp van
een takel vanaf het koorbalkon van de kerk naar de begane grond getransporteerd.
Alle windladen en pijpen moesten via een smalle wenteltrap naar beneden worden
gebracht.
Begin 1983 gelukte het de Z.T.O.S. door het aankopen van de originele Compton
Muted Trompet, Clarinet, Tibia 16’ en daarnaast Compton Xylofoon, Klokkenspel en
Orchestra Bells het orgel weer in originele staat te brengen.

In Middelburg aangekomen werd de container op een zaterdagmorgen snel gelost.
Het orgel werd in onderdelen opgeslagen in het gebouw “De Waag” te Middelburg.
![]() |
In september 1981 werd begonnen met de restauratie van het orgel. Een toegewijd
team van orgel-enthousiasten hebben toen de speeltafel, relais, blower, motor,
dynamo, windladen, shutters, regulateurs en tremulanten gerepareerd, vernieuwd
of gerestaureerd. De blower met motor en dynamo werden bij De Schelde te Vlissingen nagezien. De motor werd geschikt gemaakt voor 380 Volt. Deze draaide in Engeland op 440 Volt. |
De inmiddels aangekochte onderdelen zoals effecten, trommels, xylofoon,
klokkenspel en orchestra bells, werden grondig gereviseerd en waar nodig van
nieuwe balgjes of membramen voorzien.
Arthur Noterman, oud firmant van Noterman Organbuilders of London, maakte de 12
houten Tibia 16’ pijpen met geheel nieuwe windladen.
Uit het inmiddels gesloopte Plaza Theatre in Birkenhead is de aangekochte
“Steck” piano afkomstig. Het piano restauratie-atelier “De Hamernoot” in
Middelburg voorzag de piano – geheel gratis – van nieuw vilt, hamers en snaren.
Het balgenblok van de piano werd door het team gerestaureerd en gedeeltelijk van
nieuwe balgjes voorzien.
De Dienst Gemeentewerken van Middelburg was in juli 1983 uitvoerder van de
verbouwing onder het podium van de Concert- en Gehoorzaal ten behoeve van de
benodigde orgelkamers en windkamer. Een en ander naar ontwerp van ir. Eric
Halsall, hoofd technisch team van de Lancastrian Theatre Organ Trust. Zijn
ervaringen, verwerkt in de lay-out van ons orgel, waren onmisbaar en zeer
waardevol bij de herinstallatie.
Begin september 1983 werd begonnen met de plaatsing van het orgel in de Concert-
en Gehoorzaal. Een handvol orgelvrienden wijdden gedurende 3 maanden al hun
vrije tijd aan de opbouw van het orgel.
|
|
|
De plaatsing van de blower met motor en dynamo was een nogal zwaar karwei. Dit geheel weegt ongeveer 800 kg. |
De opstelling van de windladen was een technisch denkwerk en erg tijdrovend.
Evenals het opnieuw bedraden van de windladen. Daarna werd door Dick Le Grice,
een bekwaam Engelse vakman op dit gebied, het orgel uitgeballanceerd en gestemd.
En zo werd op 2 december 1983 het orgel ingewijd tijdens het openingsconcert als
de “Lady Compton of Middelburg”. De bijnaam “Lady” kreeg het orgel van Lady
Grace Rycroft of York, die het orgel al sinds 1939 bewonderde.
Tot het openingsconcert waren ongeveer 3300 manuren aan het orgel besteed.
| Het openingsconcert werd verzorgd door de eerder genoemde George Blackmore,
Joyce Alldred en de toen 19-jarige Carolyn Riddick. Wijlen Jan van Weelden, die
ook die avond zou spelen, moest verstek laten gaan vanwege een operatie. Op 3 december 2003 vond het slotconcert plaats door organist Bernd Würtzenrainer. Er kwam steeds minder publiek en de Z.T.O.S. besloot te stoppen met concerten. In 2005 werd door de gemeente Middelburg de zaal gesloten. Er mochten geen uitvoeringen meer plaatsvinden omdat de zaal niet aan de brandvoorschriften voldeed. De gemeente gelastte de Z.T.O.S. het Compton orgel uit de zaal te verwijderen. |
![]() |
![]()

Al in 1815 beschikte de stedelijke schutterij van Middelburg over een
muziekkorps en in 1816 is er een zangvereniging. De Middelburgse afdeling van de
Maatschappij tot bevordering der toonkunst, opgericht in 1829, kreeg in 1839 de
beschikking over een eigen concertzaal aan de Groenmarkt. De gebruikers van deze
concertzaal, waaronder de zangvereniging Tot Oefening en Uitspanning (opgericht
in 1834), ontvingen in 1895 de mededeling dat zij in verband met de restauratie
van de Abdijgebouwen – waartoe ook de concertzaal aan de Groenmarkt behoorde –
niet langer van hun concertzaal gebruik konden maken.
De belanghebbenden richtten vervolgens een commissie op die zich ten doel stelde
het verkrijgen, desnoods oprichten van een ander gebouw. Met grote
voortvarendheid toog de commissie aan het werk en spoedig was een groot woonhuis
aan de Singelstraat, genaamd “Doet wel en siet niet om” gevonden.
Nadat dit pand
was verbouwd vond op woensdag 21 oktober 1896 de plechtige opening plaats van de
Concert- en Gehoorzaal.
Tijdens de 2e wereldoorlog waren er Duitse troepen in de zaal gelegerd en na de
bevrijding van Middelburg in 1944 de geallieerden. Daarna was de zaal een tijdje
in gebruik als pakhuis. In 1946 werd de zaal weer in oude luister hersteld.
Qua akoestiek stond deze zaal op de 6e plaats van de Europese ranglijst.
Na de verbouwing van de zaal nu in 2006, zal deze worden gebruikt als thuisbasis
en repetitieruimte van het Zeeuws Orkest.
Op het podium in de Concert- en Gehoorzaal staat een orgelfront. Dit het nog
overgebleven deel van het Wilhelm Sauerorgel, dat tot de 2e wereldoorlog in de
zaal heeft gespeeld. Tijdens de oorlog werd het binnenwerk grotendeels gesloopt.
Het pijpwerk verhuisde naar de zolder van de zaal en de windladen werden in een
koude hongerwinter op straat verstookt om wat warmte te hebben.
![]() |
Terwijl het orgel in de orgelkamers onder het podium werd ingebouwd, gebruikten
wij de ruimte achter het orgelfront voor het plaatsen van het relais en de
toycounter. De speeltafel vond zijn plaats achter de deurtjes in het front, waar eens de speeltafel van het Sauerorgel stond. Vanwege de lengte van de kabels tussen de speeltafel en het relais (9m) kon de speeltafel echter niet verder naar buiten, dan u op de foto hiernaast ziet. Op zich was dat natuurlijk een handicap voor de organist. Boven op het podium zat hij tamelijk ver van het publiek. Vandaar dat we gebruik maakten van een grote spiegel, |
| waardoor het publiek met de organist mee kon kijken. Ook was het een handicap dat het geluid van het orgel achter de organist vandaan kwam. De geluidsroosters zaten namelijk in de opstanden op het podium. |
![]() |
| Jan van Weelden tijdens een concert. |
Hierin kwam later verandering in. Via contacten kwamen we in het gelukkige bezit
van heel wat PTT-kabel bij de verhuizing van een kantoor. De meeraderige kabels,
die anders in de container beland zouden zijn, werden nu gebruikt om een nieuwe
verbinding te maken tussen de speeltafel en het relais. Deze verbinding werd
onder het podium gelegd om de mogelijkheid te scheppen om de speeltafel ook in
de zaal te plaatsen.
Tegelijkertijd vonden wij in de berging van de beheerder van de zaal een nieuw
onderkomen voor de speeltafel. Via de lift konden we de speeltafel op het podium
brengen.
Dat gaf ook meer mogelijkheden. De verbinding naar de speeltafel was zo lang,
dat deze wel midden in de zaal kon staan. Een enkele keer met een koor heeft de
speeltafel in de zaal tegen het podium gestaan.
De piano werd op de plaats geborgen waar eerst de speeltafel stond. Dus in het
oude Sauer orgelfront achter de deurtjes. Tot dan moesten we deze na ieder
concert naar de windkamer brengen. Een “gewichtig” karwei. Doordat in de
windkamer de rail waar de piano op stand verwijderd kon worden, kregen we daar
ook daar wat meer ruimte om mensen rond te leiden. Menigeen heeft het hoofd
daar tegen gestoten. Je moest er onderdoor duiken om naar de Solokamer te gaan.

Kortweg ZTOS genoemd werd opgericht op 7 augustus 1979.
Enkele jaren waren vooral door wijlen Willem Brouwer, wijlen Stephan Lokkerbol
en ondergetekende besteed om in Zeeland een theaterorgel te plaatsen. Vooral
Willem heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. Mede door de vele contacten
die hij had in deze wereld, vooral in Engeland.
En dan heb je op een gegeven moment een orgel. Dan moet er ontzettend veel
geregeld worden, waaronder geld, subsidies en natuurlijk de aankoop. Vandaar de
oprichting van deze stichting, zodat alles rechtmatig geregeld werd. Als
stichting ben je een rechtspersoon.
Vanaf het moment, dat de Compton werd uitgeladen in het gebouw “De Waag” te
Middelburg, werd een team van vrijwilligers opgericht. Onder de bezielende
leiding van Cees Bimmel werd door gemiddeld 6 a 7 man gedurende 2 jaar elke
zaterdagmorgen aan de restauratie van de Compton gewerkt.
Ook na het openingsconcert bleef het onderhoud en stemmen in handen van Cees.
Langzamerhand werd ook de samenstelling van het bestuur van de stichting onder
handen genomen. Zo kwam de stichting na enkele jaren onder voorzitterschap van
drs. Cor Hartog.
Gedurende de 26 jaar, dat de ZTOS heeft bestaan is veel geprobeerd op gebied van
samenwerking en PR. Dan kom je er ook achter, dat een en ander veel tijd en geld
kost. Ook kom je er achter, dat er al zoveel op amusementsgebied is en dat
Zeeland echt niet op je zit te wachten.
Je eigen publiek dunt uit en op een gegeven moment zit de organist dan voor een
bijna lege zaal te spelen.
Dat was ook de drijfveer om na het concert van 3 december 2003, precies 20 jaar
na het openingsconcert, te stoppen met het organiseren van concerten. In
dezelfde tijd besloot de gemeente Middelburg, dat er geen uitvoeringen meer in
de Concert- en Gehoorzaal mochten worden gehouden. Dit omdat het gebouw niet
voldeed aan de brandvoorschriften.
En als de gemeente ook nog aanzegt, dat het orgel uit het gebouw verwijderd moet
worden omdat men een andere bestemming voor het gebouw heeft, wordt het tijd om
te kijken waar je met het orgel naar toe moet.
Omdat we al heel lang zeer goede contacten hadden met de NOF, was dat natuurlijk
niet moeilijk. Zodoende is de Compton op 29 augustus 2005 in eigendom overgegaan
naar de NOF en vindt het een plaats in het Draaiorgelmuseum te Haarlem.
Voordat de “Lady” Compton werd gedemonteerd, zijn er in augustus 2005 nog CD
opnamen gemaakt. De organist daarbij was Len Rawle.
Deze CD is te bestellen via de bestelpagina .
Nadat ook alles administratief was afgewerkt is de ZTOS in maart 2006 opgeheven.
Tijdens de opheffingsvergadering werd besloten om het nog aanwezige saldo te
besteden aan het doel wat ook de ZTOS altijd als doestelling heeft gehad,
namelijk het theaterorgel.
Het betreffende saldo zal worden overgemaakt aan de NOF.
Met dank aan Theaterorgelvriend Simon Bil.
Wilt u meer lezen over het Comptonorgel, maar ook andere theaterorgels in
Nederland ? Leden van de NOF krijgen het kwalitatieve blad NOFiteiten.
Een proefexemplaar kunt u downloaden via de
fotopagina.